adventsster Charles Eijck 1963




Verhalen in de Advent

                                          2018


Het woord Advent komt van het Latijns adventus, dat betekent "komst".
In de advent wachten we op de komst, de geboorte van Jezus. Dat doen we door middel van verhalen. Elke week een ander verhaal.

Het eerste verhaal wordt in de viering van de 1e advent verteld, de andere verhalen tijdens de kinderwoorddienst.











4e adventszondag
                                                                          Jij mag ook meedoen!

De herders in het veld

heraut Het is donker.
Het is stil.
Alle mensen slapen.
Of toch niet?
Net buiten Bethlehem zit een groepje herders in het veld.
Ze hebben een vuurtje gemaakt en houden de wacht bij hun schapen.

Plotseling gebeurt er iets.
Er komt een licht, zomaar midden in de nacht.
In dat licht staat een engel.
‘Wees maar niet bang,’ zegt de engel. ‘Ik heb goed nieuws voor jullie. In Bethlehem is een kind geboren. Hij is de Zoon van God, de redder voor de wereld. Ga maar naar hem toe, je zult hem vinden in een voerbak.’
Het licht wordt groter en groter en er komen nog meer engelen.
Ze zingen een prachtig lied: Eer aan God in de hoogste hemel, en vrede op aarde.
Als het lied uit is, gaan de engelen weer weg.
De herders staan op.
‘Kom,’ zeggen ze. ‘We gaan kijken bij dat bijzondere kind.’

Even later staan ze in de stal.
Het zijn geen deftige mensen, die herders.
Ze dragen oude herdersbroeken en warme truien voor de nacht.
Ze ruiken een beetje naar hun vuur en naar het veld en naar de schapen.
Maar dat geeft niet. Juist zij mogen als eerst het kindje Jezus zien.
Ze mogen hem ook even vasthouden.
Dat kunnen herders heel goed, want ze houden ook vaak lammetjes vast.
heraut ‘Stil maar,’ fluisteren ze tegen Jezus. ‘We zullen goed voor je zorgen.’
Daarna gaan de herders weer weg.
Ze zijn zo vrolijk, dat ze heel hard beginnen te zingen.
Mensen in de stad schuiven hun gordijnen open om te zien wat er aan de hand is.
‘Zing maar met ons mee!’ roepen de herders. ‘Want Jezus is geboren, het is feest voor iedereen.
Jij mag ook meedoen!’



3e adventszondag
                                                                                  Koning in een stal

Dichtbij

Het is stil in de stad Bethlehem. Het is donker in de huizen. Er is geen brandend kaarsje te zien. Ook in de herberg is het donker en stil. Achter de herberg staat een stal. De stal waar Jozef en Maria liggen te slapen. Ze waren zo moe van de reis, dat ze meteen in slaap zijn gevallen. Ook al prikt het stro en is de grond hard. Door het raam van de stal schijnt een stukje maanlicht naar binnen. Jozef en Maria zijn in diepe slaap. De dieren in de stal slapen. En de mensen in de stad liggen nog heerlijk in bed. Het lijkt wel of er niemand wakker is. Maar dat lijkt alleen maar zo. Want in de verte klinkt het geluid van wat dieren. Het zijn schapen die rondlopen. Ze blaten zacht en kauwen het gras. Ook klinken er stemmen. Het zijn de stemmen van herders die zacht praten om een vuur.

Midden in die stille, donkere nacht, wordt Maria wakker. Ze heeft een vreemd gevoel in haar buik. Ze voelt iets dat ze nog nooit eerder heeft gevoeld. En ook al kent ze het gevoel niet, ze weet gelijk wat er aan de hand is. Snel stoot ze Jozef aan. ‘Psst, Jozef, wordt wakker! Het is zo ver.’ Jozef zit meteen rechtop. ‘Wat is er? Is het tijd om op te staan? Jozef staat op om zijn kleren aan te trekken. Dan voelt hij de koude vloer. ‘Of heb je het koud?’ vraagt hij. Jozef steekt een kaars aan en zoekt een extra deken. Maar Maria houdt hem tegen. ‘Ik heb geen deken nodig’, zegt ze. ‘Maar voel eens aan mijn buik. Ik denk dat de baby snel gaat komen!‘ Jozef kijkt naar Maria. Ze houdt haar buik vast en puft een beetje. Opeens is Jozef klaarwakker. De baby gaat komen! ‘We moeten hulp halen!’ roept hij. En we moeten een huis met een bed zoeken!’ Maria schudt haar hoofd. ‘Daar is geen tijd meer voor Jozef. De baby gaat echt hier geboren worden.’ Jozef kijkt bezorgd de stal rond. Hij ziet het stro en de dieren. Hij kijkt naar de vieze, koude vloer. ‘Gaat de baby geboren worden?’ zegt hij. ‘Hier?’ Nu? Maar dan kan toch niet? Het is een beestenbende in de stal!’ Maria pakt de hand van Jozef. ‘Het is prima zo’, zegt ze.
heraut
Jozef haalt het voer uit de voerbak van de dieren. Hij legt vers stro in de kribbe. Daar legt hij een dekentje bovenop. Dan heeft de baby in elk geval een bed. Hij gaat naast Maria zitten en aait zacht haar hand. Hij doet wat extra stro achter haar rug. Af en toe geeft hij haar een slokje water.

Die nacht is de rust in de stal verdwenen. De mensen in de huizen en herberg zijn nog steeds in diepe slaap. Ze hebben geen idee van wat er in die stal gebeurt. Ze hebben geen idee dat er, heel dicht bij hen, een kind wordt geboren door wie alles anders wordt. Die nacht, in die kleine stal, wordt Jezus geboren.

Jozef legt hem op een doek en pakt hem stevig in. ‘Kijk toch eens hoe klein die vingertjes en teentjes zijn’, zegt hij. Maria knikt. ‘Hij is de mooiste, de grootste de sterkste en de beste’, lacht ze. Voorzichtig legt Jozef hem in de voorbak.

‘Dag Jezus’, zegt Jozef zacht. ‘Welkom in deze wereld.’ Maria aait over zijn wang. ‘Ik vind het een mooie naam’, zegt ze. ‘Het past precies.’*

Al snel ligt Jezus lekker te slapen. Maria en Jozef slapen nog lang niet. Ze blijven maar kijken naar dat wonder in de kribbe.

* Jezus betekent: God redt



2e adventszondag
                                                                                            Tel je mee?

Op weg naar Bethlehem

heraut Op het marktplein staat een man.
Hij komt van de keizer, dat kun je zien aan zijn kleren.
Op een paard rijdt hij door het land. Hij vertelt de mensen wat de keizer heeft bedacht.
‘Attentie, attentie!’ roept de man. ‘Attentie, attentie!’
De mensen komen uit hun huizen om naar hem te luisteren.
‘Ahum,’ begint de man deftig. ‘Ahum, a-hhhum.
De keizer wil weten hoeveel mensen er in zijn land wonen.
Ze moeten allemaal geteld worden.
Iedereen moet naar de stad gaan waar zijn familie vandaan komt.
Daar wordt je naam opgeschreven.
Dit is een bevel van de keizer. ‘Zo zal het gaan!’
Als de man alles verteld heeft, stapt hij weer op zijn paard. Hij gaat naar de volgende stad.

Jozef en Maria staan ook op het plein.
‘We moeten op reis,’ zegt Jozef. ‘Mijn familie komt uit Bethlehem.
Daar moeten we naartoe.’
‘Bethlehem…’ zegt Maria. ‘Dat is wel ver weg.’
heraut Ze wrijft over haar dikke buik.
In haar buik groeit een kind.
Het is een bijzonder kind.
Een tijdje geleden is er een engel bij haar gekomen.
‘Je krijgt een kind van God,’ zei de engel.
‘Noem hem Jezus. Hij is de koning die al heel lang wordt verwacht.’
Nadat de engel bij haar geweest was, is Maria’s buik steeds dikker geworden.
Kan ze nu wel zo ver lopen? ‘We nemen een ezel mee,’ zegt Jozef. ‘Als je moe bent, kun je op de ezel gaan zitten.’
De volgende dag pakken Jozef en Maria een tas met spullen in.
Ze gaan op weg.
Op weg naar Bethlehem.



1e adventszondag
                                                                                          Verwachting


De wensboom

Bij de sportschool van Klaas van der Kracht is het elk jaar hetzelfde liedje. Elke jaar vraagt directeur Van der Kracht twee weken voor Kerstmis aan conciërge Henk: ‘Heb je nou al een kerstboom gekocht?’ Een half uur later komt Henk dan mopperend terug van het tuincentrum. ‘Wat is dat kreng zwaar,’ zegt hij dan. ‘En ze worden ook elk jaar duurder.’
Daarna begint het zoeken naar de kerstversiering. Henk weet altijd zeker dat hij het ergens heeft neergezet, meneer Van der Kracht kan zich dan niet herinneren dat hij het verplaatst heeft en na een tijd vinden ze de doos met ballen op een plek waar niemand het verwacht.
Dan gaat Henk versieren. ‘Je hangt die lampjes toch niet zo?’ vraagt meneer Van der Kracht altijd weer. ‘En die blauwe ballen moeten achteraan.’
Terwijl Henk de ballen dan goed hangt, vraagt hij altijd op een zeker moment: ‘Waarom hebben we eigenlijk een kerstboom met Kerstmis? Stond er soms een boom in de stal van het kindeke Jezus?’
‘Nee natuurlijk niet,’ antwoordt Klaas van der Kracht en dan legt hij elk jaar weer uit: ‘De kerstboom komt eigenlijk van de Germanen. Op de kortste dag van het jaar verbrandden zij altijd een naaldboom.’
‘Binnen?’
‘Nee, natuurlijk niet binnen. Toen de boom naar binnen kwam, deden ze er kaarsjes in. Zo werd de boom een teken van licht. En later werd dit verbonden met het kerstfeest, want dat is ook een feest van licht.’
‘O,’ zegt Henk dan, ‘zit dat zo!’
‘Ja, zo zit dat.’
Na veel gezucht en gemopper is de boom eindelijk klaar. ‘Toch wel weer mooi,’ brommen meneer Van der Kracht en Henk dan allebei.

kale kerstboom Maar dit jaar gaat het anders. Dit jaar hoeft Henk niet naar de kerstballen te zoeken en er hoeven ook geen lampjes in de boom. ‘Wij gaan dit jaar niet zomaar een kerstboom neerzetten,’ verklaart meneer Van der Kracht plechtig. ‘Wij maken een wensboom.’
‘Een wát?’
‘Een wensboom. Daar hangen geen lampjes en ballen in, maar goede wensen voor andere mensen en voor de wereld. Kijk!’ Meneer Van der Kracht haalt een rond stukje papier tevoorschijn, ongeveer even groot als een kerstbal. ‘Dit is een wensbal. Elke bezoeker van onze sportschool krijgt zo’n wensbal en schrijft er iets op.’
‘Maar lijkt het dan wel genoeg op een kerstboom?’
‘Zeker wel. Een kerst-wens-boom. Mooi toch?’

Zo gezegd, zo gedaan. Elke bezoeker krijgt bij binnenkomst een wensbal uitgereikt. Sommige mensen schrijven er iets op voor zichzelf: ‘Ik hoop op geluk en gezondheid.’ Anderen schrijven iets op voor familie of een vriend, en weer anderen schrijven hun wensen op voor wereldvrede en eerlijkheid. Zo groeit de boom tot een grote wensboom.
En als het kerst geweest is? Dan brengt Henk de boom weer weg. ‘Wat is dat kreng zwaar,’ moppert hij. ‘En ze worden ook elk jaar duurder.’
Want sommige dingen veranderen nooit.

kale kerstboom kale kerstboom
























Materiaal afkomstig van de scholenactie van de Stichting BVA